Gaven, een hemelvaartsgeschenk…

 Wat een bijzondere, zevenvoudige eenheid wordt hier (Efe.4) uitgestald onder de noemer van éénheid van de Geest.

Één lichaam, één Geest, daar staan we natuurlijk vooral bij het aanstaande Pinksterfeest bij stil, één hoop, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader..

Deze complete opsomming van éénheid sluit echter verscheidenheid niet uit.

Integendeel, daar wordt tussen de regels door van uit gegaan.

Paulus’ lezers maken allen deel uit van het éne lichaam van Christus, zeker, maar binnen dat lichaam hebben zij niet allemaal dezelfde functie.

En de reden daarvoor is gelegen in de verschillende mate waarin zij van Christus de genade hebben gekregen om in dat geheel van Zijn gemeente Hem te dienen.

Het woordje ‘gave’ (7) heeft hier betrekking op ‘genadegave’.

Daaruit spreekt de vrijmacht van Christus.

Hij deelt aan ons Zijn gaven uit met de maat die Hem goeddunkt.

En naar gelang daarvan kunnen wij Christus dienen.

In ons huwelijk, in ons gezin, in ons werk, in onze vriendenkring en in onze gemeente en kerk in het bijzonder wel.

Dan is er verscheidenheid in de eenheid.

Heel normaal dus.

We zijn niet allemaal hetzelfde.

De veelkleurigheid van de gemeente, het lichaam van Christus is een gegeven.

Ge-ge-ven.

Door God geschonken uit genade.

En om dat ‘geven’ te laten zien, haalt de apostel hier een woord uit Psalm 68 (vs19) aan.

Het heeft betrekking op Christus’ hemelvaart.

Een zegetocht waarbij Christus als Overwinnaar Zijn troon bestijgt aan de Rechterhand van God de Vader.

Daar is Hij nu om voor al de Zijnen, u, jij en ik, te bidden, dat wij het vol kunnen houden in het geloof en de roeping die Hij ons heeft gegeven.

Hij heeft dat wat mensen gevangen houdt overwonnen.

Zij die tegen Hem waren heeft Hij tot vrienden gemaakt. Zo wil Hij in Zijn overwinning delen.

Ook dát is een genade-geschenk.

Ook de wereld van de duistere machten heeft Hij gevangen genomen, krijgsgevangen gemaakt, zodat zij geen vrij spel meer heeft.

Alles is onder Zijn macht gekomen.

Hij bepaalt!

Hij doet zoals Hij wil!

De mensen die in Hem geloven heeft Hij gaven gegeven.

Ze worden opgesomd in vers 11-13.

Gaven van goedheid, tot opbouw van Zijn gemeente, tot heil van de persoon in kwestie, bovenal tot eer van Zijn Naam.

Hij moet immers als Koning heersen.

En bij Zijn Wederkomst zal dat volkomen zijn.

Maar nu al komt Hem alle eer en macht toe.

Er is geen reden tot roemen in onszelf!

Omdat het geloof en de gaven genadegeschenken van God onze Here zijn.

En over iets wat je krijgt kun je je niet beroemen!

Daar kun je alleen maar voor danken!

Dit alles is mogelijk omdat Christus is opgevaren.

In die weg heeft Hij Zijn Heilige Geest willen zenden, Die de Zijnen, en dat zijn zij die in Hem geloven, in al de waarheid zal leiden.

‘Opgevaren’ verondersteld ook dat Hij eerst is nedergedaald.

Nedergedaald vanuit de hoogste hemelen tot de nederigste delen der aarde.

Dat was allemaal nodig om voor de Zijnen het eeuwige heil te verwerven.

Om te voldoen aan de liefde van God de Vader voor zondaren, moest Hij Zijn hemelse heerlijkheid voor een tijd verlaten, om mensen te redden van de eeuwigheid ondergang.

Want ‘zo lief heeft God de wereld gehad…, opdat wie in Hem gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.’

Daar kun je toch stil van worden…

Lezen Efeze 4 vers 1-13

Gedicht: Jezus Christus heerst als Koning…

Jezus Christus heerst als Koning;

In Zijn hoge hemelwoning

Vallen zaal’gen Hem te voet.

Cherubijnen, serafijnen

Eren Hem, Die al de Zijnen

Vrijgekocht heeft door Zijn bloed.

 

Geeft, o zondaars, Hem uw harten,

Klaagt Hem, kranken, uwe smarten;

Zeg Hem, armen, uwe nood!

Wonden moeten wonden helen;

U mag in het leven delen,

Dat ons toevloeit uit Zijn dood.

 

O, hoe velen zijn herboren,

Toen zij zich aan Hem verloren,

Die ons maakt tot kind’ren Gods!

Wie wil zonder Jezus sterven,

Wie wil ’t ware leven derven,

Hem verwerpen in zijn trost?

 

Elke pelgrim hier op aarde,

Die zich achter Jezus schaarde,

Wordt bemoedigd door Zijn stem;

Hij zal eens Hem zien als Koning,

Tronend in Zijn heil’ge woning,

in het hoog Jeruzalem.