DE ÁNDERE HELPER, DIE ERBIJ GEROEPEN WORDT…

‘Want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet naar u toekomen, maar als Ik heenga, zal Ik hem naar u  toezenden..’ Joh.16:6-7 / 14:16-17

Dit is het antwoord van de Here Jezus aan bedroefde discipelen.

Ze waren namelijk erg op zichzélf gericht.

Dat is ook heel menselijk natuurlijk.

Als mens kunnen we ons immers snel zorgen maken.

Dat was bij de discipelen zeker niet anders.

Dan vertrouwen we te weinig op God en verwachten we het te weinig van het geloof in Hem en Zijn Zoon de Here Jezus Christus..

Welnu, de leerlingen van Jezus maakten zich dus zorgen..

Alsof Zijn heengaan alleen verlies zou betekenen.

Alsof zij het voortaan allemaal zelf zouden moeten doen.

In eigen kracht.

Want al waren ze dan gelovige volgelingen van de Here Jezus, toch hadden ze het ontmoedigende gevoel, dat Hij hen als wezen zou achterlaten.

Maar de Heiland wil hen nu op het hart binden dat ze eigenlijk blij moeten zijn dat Hij naar de hemel gaat.

Maar dat hadden ze op dat moment nog niet goed begrepen.

Ja, dat het juist in hun vóórdeel is, dat Hij weggaat.

Daardoor immers kan de Heilige Geest, de Parakleet komen.

Dat Griekse woord Paraclétos betekent ‘Helper, Erbij-geroepene’.

Zo spreekt men over een advocaat.

In ruimere zin, iemand, die bijstand verleent en als vertegenwoordiger van de betrokkene bij een ander of die bij de rechtbank optreedt.

In die zin is Jezus ook Zélf een Parakleet.

Hij treedt altijd op als Pleitbezorger van de gelovigen bij God de Vader (1Joh.2:1; Rom.8:34).

Daarom spreekt Hij nu over de Heilige Geest als een Ándere Parakleet, d.w.z. een Parakleet, een Trooster, zoals Ik dat Zélf ben (Mat.11:28).

Het is de Geest der Waarheid.

Het is de Geest van Hem, die van Zichzelf getuigde dat Hij de Waarheid is.

Het is ook de Geest die doet getuigen van de waarheid, door mensen die in Hem geloven heen.

Daarmee gaat zij altijd lijnrecht in tegen de geest van de leugen en de dwaling (Joh.8:44; 1Joh.4:6).

De wereld en ieder wie niet oprecht Hem volgen wil, kan Hem niet ontvangen, omdat zij geen oog voor Hem hebben, maar altijd weer eerst aan zichzelf denken.

De discipelen mochten Hem wél ontvangen, net als iedere andere trouwe volgeling van de Here Jezus.

Door hun omgang met Hem hebben ze de Meester leren kennen.

In die weg heeft Hij Zich steeds meer aan hen laten kennen.

En voortaan zal de Heilige Geest hen bijstaan in alle omstandigheden: makkelijke en moeilijke.

Hij zal hun geloof versterken en hen daarin standvastig maken.

Daartoe geeft Hij hen ook Zijn Heilig Woord en de sacramenten: de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal.

Daar mogen ze gebruik van maken om staande te blijven in de wervelingen en tegenstand van deze wereld, maar ook om zo de weerbarstigheden van het eigen hart te kunnen weerstaan.

De Geest zal bij hen blijven en in hen zijn.

EN bij allen die in Hem geloven.

Bij u en jou en mij!

Dat wil Hij ook zó graag!

Hij wil zó graag dat je voor Hem open staat en dat je Hem niet afweert!

Blijf of kom maar in Hem als een rank in de wijnstok.

Blijf of kom maar in Zijn Woord en in Zijn Sacrament van Doop en Avondmaal.

Daarin komt Hij echt naar ons toe en wil Hij ons geloof versterken.

Dat mogen we beamen, telkens weer!

Dat mogen we belijden, telkens weer!De heerlijke belofte van Pinksteren.

Hij zal in al de waarheid leiden… en je de juiste woorden geven op Zijn Tijd!

 

Na de dag van hemelvaart…

Toen Hij van hen ging,

Zijn zij allen bij elkaar.

Als discipelkring,

Wacht, biddend allemaal

In de opperzaal

 

Zoals Jezus heeft beloofd,

Komt de Heil’ ge Geest.

Vlammen ziet men op hun hoofd

op het Pinksterfeest

En een machtig stormgedruis

Vult het hele huis.

 

Los komt ieders tong, hun stem

Spreekt een and’ re taal.

Mensen in Jeruzalem

Horen het verhaal:

Jezus stierf, is opgestaan.

’t Rijk van God breekt aan.

 

Geest, die uit de hemel kwam,

Vuur, dat nimmer dooft,

Zet ons koude hart in vlam,

breng ons tot geloof.

Sterke wind, drijf zelf ons aan,

Om tot God te gaan.

  1. van ’t Veld

 

 

Gedicht: Jubal

Hij luisterde naar ’t ruisen van de beek,

Naar ’t ritme van de regen op het dak.

De scheerlijn van de tent stond nat en strak

Te zoemen, als zijn hand er over streek.

 

Hij hoorde ’t riet, en sneed een kleine fluit.

Zijn adem wekte aarzelend een toon.

Zijn ogen glansden, want hoe wonderschoon

Klonk in de stilte dit ontroerd geluid.

 

Eens, toen zijn hand over de scheerlijn gleed,

Ontstond er een gedachte, blij en klaar.

Aandachtig spande hij de eerste snaar

Die hij zacht met zijn vingers zingen deed.

 

Een schaam ’le melodie, nog ongewend,

wat simpele muziek, nog onvolmaakt,

een klankenspel, maar nauwelijks ontwaakt:

een glimlach van Jahweh in Jubals’ tent…

 

(En Ada baarde Jabal. Deze is geweest een vader degenen die tenten bewoonden, en vee hadden. En de naam van zijn broeder was Jubal. Deze was de vader van allen, die harpen en orgels hadden.. (Gen.4:21-22)

DS. J.G.van den Top